Het onderzoek naar de doorstroomtoets legt de spanning in het systeem bloot
23 maart 2026
Categorie: Actualiteit
Het afgelopen jaar ontstond er veel discussie toen vier basisscholen ouders de keuze gaven om hun kind wel of niet deel te laten nemen aan de doorstroomtoets. De reactie van de Inspectie van het Onderwijs en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) was stevig: via een spoedonderzoek van de inspectie en een spoedaanwijzing van de staatssecretaris werden de scholen alsnog verplicht de toets af te nemen.
De vraag bleef daarmee bestaan hoe professionals in het onderwijs zelf tegen de doorstroomtoets aankijken. Daarom liet Leve het Onderwijs onderzoek uitvoeren door DUO-Onderwijs onder schoolbestuurders, schoolleiders en leraren in het primair onderwijs. De resultaten laten een wisselend beeld zien van hoe de toets in het veld wordt ervaren. Zie: Rapportage Onderzoek Doorstrooomtoets (DUO Onderzoek januari 2026).
Eén toets met meerdere functies
De doorstroomtoets vervult momenteel drie functies tegelijk: ondersteuning bij het schooladvies, inzicht in leerprestaties en de inspectie gebruikt doorstroomtoetsdata voor het beoordelen van leerresultaten van scholen. Juist die combinatie blijkt in de praktijk spanning op te leveren.
De doorstroomtoets en het eindadvies
De toets is ooit bedoeld als tweede gegeven naast het basisschooladvies. Het is opvallend dat schoolbesturen het meest kritisch zijn over deze functie van de toets

Om de steeds zwaardere rol bij de advisering waar te kunnen maken, zou de toets een goed beeld moeten geven van het potentieel van de leerlingen. Immers: er zijn geen toelatingscriteria voor het VO die gemeten zouden kunnen worden, dus de toets voorspelt het potentieel van kinderen op basis van hun prestaties op het gebied van begrijpend lezen, spelling en rekenen. Opvallend is dat de ondervraagden op dit punt kritischer zijn.

De mening dat de verplichte herwaardering goed zou zijn voor kansen van kinderen uit een achterstandssituatie wordt door veel onderwijsmensen echt niet gedeeld. De meesten zien hier de meerwaarde van de toets in de praktijk niet. Slechts een derde van de respondenten ziet het nut in van de verplichte herwaardering.

De doorstroomtoets als meetinstrument van leeropbrengsten
Ongeveer de helft van de leraren (51%) en schoolleiders (49%) geeft aan dat de toets een goed beeld geeft van wat leerlingen hebben geleerd. Onder schoolbestuurders ligt dit duidelijk lager: daar is slechts 34% het hiermee eens. Het is opmerkelijk dat nog zovelen denken dat de toets leeropbrengsten meet, terwijl het geen toets is die op criteria gebaseerd is (zoals bijvoorbeeld een PISA-toets wel is).

zoals bijvoorbeeld een PISA-toets wel is).
De doorstroomtoets en de kwaliteitszorg
Interessant is dat rond de helft van de deelnemers de toets belangrijk vindt voor het systeem van kwaliteitszorg, maar dat zij de bijdrage van de toets aan onderwijsverbetering veel lager inschatten. Dat is een opmerkelijke uitkomst: de toets krijgt een grote rol in het systeem van kwaliteitszorg toebedeeld, terwijl je er voor onderwijsverbetering niet veel aan hebt.

Overigens is het niet gek dat leraren weinig hebben aan de toets voor onderwijsverbetering. Zij krijgen de toets immers niet terug om te analyseren.

Spanning in het systeem
Scholen ervaren dat de doorstroomtoets vooral gewicht krijgt in de context van verantwoording en toezicht. Tegelijkertijd werken scholen dagelijks met veel rijkere informatie over de ontwikkeling van leerlingen: observaties, leerlingvolgsystemen, gesprekken met ouders en de professionele oordelen van leraren. Daarbij geeft ongeveer de helft van de schoolleiders en meer dan de helft van de leraren aan dat de doorstroomtoets druk veroorzaakt op hun functioneren.
Opvallend is hoeveel er toch nagedacht wordt over de mogelijkheid de toets niet meer af te nemen, ondanks de sterke reactie van de overheid op de actie van de vier scholen in 2025

Zeker onder schoolbestuurders is er veel draagvlak om de toets niet langer te verplichten. Dat zou ook meteen betekenen dat de inspectie anders moet gaan kijken naar de beoordeling van onderwijsopbrengsten.

Bewustzijn van wat toetsen meten
Het onderzoek laat zien dat er nog werk te doen is in de professionalisering rond toetsgebruik. Gestandaardiseerde toetsen uit LVS en de doorstroomtoets zijn immers gemaakt om de leerlingen in een volgorde te plaatsen en niet om leeropbrengsten vast te stellen. Daarnaast is de basis waarop die indeling wordt gemaakt heel beperkt. Vaardigheden zoals redeneren, samenwerken, motivatie of doorzettingsvermogen laten zich niet vangen in een meerkeuzetoets. Ook schrijfvaardigheid, spreekvaardigheid of redeneren met getallen kan de toets niet meten, terwijl dat wel heel belangrijke vaardigheden zijn voor het vervolgonderwijs.
Toetsresultaten moeten altijd worden geïnterpreteerd in samenhang met het professionele oordeel van leraren en met bredere informatie over de ontwikkeling van leerlingen. Voor bestuurders en schoolleiders ligt hier een belangrijke opdracht: hoe zorgen we ervoor dat scholen en teams zich bewust zijn van wat toetsen wel en niet meten, en hoe zij die informatie verantwoord kunnen gebruiken?
Het gesprek over selectie
Het DUO-onderzoek laat bovendien zien dat veel professionals vinden dat po- en vo-scholen samen goed afspraken kunnen maken over de overgang naar het voortgezet onderwijs. Dat opent een bredere vraag over hoe we selectie in het onderwijs organiseren en of leerlingen gebaat zijn bij meer ontwikkelingsruimte voordat definitieve keuzes worden gemaakt.

Breder kijken naar ontwikkeling
De discussie over de doorstroomtoets raakt uiteindelijk aan een bredere vraag: hoe kijken we naar onderwijskwaliteit en hoe begeleiden we kinderen in de overgang van het PO naar het VO? Daarom wordt in 2026 een meerjarige pilot gestart waarin onder andere wordt verkend hoe scholen onderwijskwaliteit beter zichtbaar kunnen maken. Deze pilot is een samenwerking tussen het ministerie van OCW, de Inspectie van het Onderwijs, de PO-Raad en Leve het Onderwijs.
Wanneer we breder kijken naar onderwijs, wordt ook duidelijk dat leerlingontwikkeling niet in één moment of één toets kan worden samengevat. Onderwijs gaat immers niet alleen over kwalificatie, maar ook over socialisatie en persoonsvorming – de drie dimensies van onderwijs die onderwijspedagoog Gert Biesta beschrijft.
Het doel van de pilot is te onderzoeken hoe scholen hun onderwijsresultaten en leerlingontwikkeling ook op andere manieren kunnen laten zien, zodat toezicht niet uitsluitend leunt op één toetsmoment. Veel scholen volgen de ontwikkeling van leerlingen immers jarenlang via leerlijnen, referentieniveaus en bredere ontwikkelingsdoelen. De pilot moet helpen om dat vakmanschap beter zichtbaar te maken.
Tenslotte
Het DUO-onderzoek laat zien dat de discussie over de doorstroomtoets, over selectie en onderwijskwaliteit nog lang niet is afgerond. Voor Leve het Onderwijs is het daarom belangrijk om het gesprek hierover te blijven voeren – met scholen, bestuurders, onderzoekers en beleidsmakers. Niet vanuit tegenstellingen, maar vanuit een gezamenlijke zoektocht naar een systeem dat recht doet aan de ontwikkeling van ieder kind en aan de kwaliteit van het onderwijs.
Bronnen
DUO-Onderwijs (2026). Rapportage onderzoek doorstroomtoets in het primair onderwijs, uitgevoerd in opdracht van Leve het Onderwijs.
Door: Marten Elkerbout, Daniëlle Kuip